De geschiedenis van de Familie Blankestein


De familie Blankestein is afkomstig van een hofstede genaamd Blanckesteijn in Nederlangbroek, ook wel genoemd Neerlangbroek, (bij Doorn). De eigenaren van deze hofstede zouden al ten tijde van het bewind van de Bisschoppen van Utrecht als leenheer hebben gediend voor het bisdom. Zij waren belastingplichtig, zogenaamde tijns, aan het Domkapittel. Deze werden ook wel 'tienden' genoemd, zeggende dat 10% van de waarde van de opbrengst van oogst op de gepachte landerijen moest worden afgedragen aan het bisdom.
Een stukje geschiedenis over het ontstaan van de functie van leenheer:
In de Karolingische tijd (750—900 na Chr) groeide de omvang van het boerenbedrijf en van de nederzettingen. Men begon met het ontginnen van kleigebieden (kwelders en rivierdalen), waar nieuwe nederzettingen werden gesticht. Ook werd vanaf de 8ste eeuw werd een nieuw ploegtype geïntroduceerd en begon men met plaggenbemesting om uitputting van de grond tegen te gaan. Het surplus dat geleidelijk aan in de landbouw ontstond, maakte het mogelijk dat een toenemend aantal mensen zich met andere werkzaamheden kon gaan bezighouden, zoals de beoefening van ambachten en het drijven van handel. In de late Middeleeuwen (1000-1500) raakte het Karolingische rijk, na enkele rijksdelingen, opgesplitst en vanaf de 10de eeuw ging ons land deel uitmaken van het Duitse rijk, dat evenals Frankrijk uit deze opdeling voortkomt. De 10de en het begin van de 11de eeuw, als overgangsperiode van de Vroege naar de Late Middeleeuwen, wordt wel aangeduid met de Ottoonse tijd. Geleidelijk aan ontstonden in Nederland territoriale vorstendommen, een soort zelfstandige rijkjes. Ze werden door graven of hertogen bestuurd. De bisschop van Utrecht regeerde als landsheer, over het Sticht Utrecht: verdeeld in het Nedersticht (de huidige provincie Utrecht) en het Oversticht (delen van Gelderland, Overijssel, Drenthe en Groningen, waaronder de stad Groningen). Door het zwakke centrale gezag van de Duitse keizer en de marginale ligging van ons land ten opzichte van het Duitse rijk konden de landsheren steeds meer macht verwerven. Dit ging vaak ten koste van elkaar. De politieke geschiedenis in deze periode werd dan ook bepaald door onderlinge machtsstrijd. Van groot belang bij de instandhouding van de bestaande machtsstructuren was het leenstelsel. Dit heeft zich geleidelijk aan vanaf de Vroege Middeleeuwen ontwikkeld. In eerste instantie werden goud en andere kostbaarheden door de koning aan onderdanen geschonken in ruil voor trouw en steun op politiek en militair gebied. Later begon de koning grond te schenken en vooral in leen te geven aan de lokale elite. Hij probeerde op deze wijze de elite aan zich te binden, die op hun beurt hem met militaire en financiële hulp terzijde moesten staan. Omdat de belening met grond op den duur overerfbaar werd, werd het bijhouden van afstammings- en verwantschapslijnen heel belangrijk. Dit leenstelsel in Het Sticht bestond al voor het eerste millennium, het hield stand tot in de veertiende eeuw. Tot de rijke traditie behoren uiteraard de versierselen die in de loop der geschiedenis zijn ontstaan. Leenheren kregen als symbolen van de leen(heer) een zwaard, lans, gewaad, aardklomp of twijgje. Het leenstelsel kende zijn eigen recht. In zijn oudste vorm was dat gewoonterecht. Dat wil zeggen, dat het niet vastgelegd was in van overheidswege uitgevaardigde wetten maar wel erkend werd als door de gewoonte gesanctioneerd geldend recht. Eeuwen achtereen werd dergelijk recht alleen mondelijk overgeleverd, totdat ervaren gebruikers daarvan ertoe overgingen het in geschrifte vast te leggen. Geschriften van dergelijke autoriteiten konden, bij gebrek aan wettelijke bepalingen, aanzienlijk gezag verwerven. Leenrecht werd in vele landen van Europa langs overeenkomstige lijnen toegepast en liet zich onderscheiden in "families", die onderling vooral verschilden in hun bepalingen betreffende erfopvolging en de tarieven van het "heergewaad". Als er een nieuwe leenman of leenvrouw optrad moest deze aan de leenheer iets geven of betalen. Die prestatie werd "heergewaad" genoemd. Dat heergewaad kon een lichte last vormen of een zware. Dat hing af van het soort leenrecht, waaronder het betrokken leengoed viel, of van de bijzondere voorwaarden, waaronder het goed in leen was gegeven. Zo was er van een gewoon Stichts leen in de 14de en 15de eeuw aan de bisschop een paard verschuldigd of zijn tegenwaarde in geld, 3 oude Franse schilden ofwel 3 herenpond.
De eerste vermeldingen, die getraceerd zijn, dateren echter van later n.l. 1513, toendertijd was 'Blanckesteijn' een monumentale boerderij. De landerijen lagen verspreid over de omgeving zoals Langbroek, Ravenswaay, Amerongen en Jutphaas. Die landerijen liggen in de omgeving van Dorestad (thans Wijk bij Duurstede) dat in de jaren 750-850 behoorde tot de belangrijkste handelssteden van Europa.
In 1674 staat er op die plek een prachtige witte boerderij, verscholen achter oude dikke bomen. Het geheel van boerderij, hooiberg en schuren is bijzonder schilderachtig en inspireerde Rien Poortvliet ooit tot een tekening die is terug te vinden in zijn boek "Te hooi en te gras" onder "Langbroek". De boerderij heet nu "Groot Blankenstein" en is eigendom van graaf Lynden van Sandenburg.
Op 11 mei 1674 werd een zekere Hendrik gebruiker van de hofstede. Hij had naast zijn landerijen rond de boerderij ook al akkers aan de overzijde van de rivier (hier splitste de Rijn en Lek zich): in Rijswijk en Ravenswaay. Vanuit die Betuwse zijtak zijn wij afkomstig. De enige traceerbare voorouder die nakomelingen heeft gekregen is Gerrit Pellen (29-4-1660) die op 26 jarige leeftijd in Wijk bij Duurstede trouwt met Cornelia Daemen van Zijll, van hetzelfde geboortejaar. Kinderen uit die periode hadden namen als: Pel, Feygje, Jannigje, Cornelia, Neeltje, Gerrit, Aaltje, Woutertje, Harmen, Jan. Aan het einde van de 18e eeuw veranderen de namen: Gijsbertje, Peter, Catharina, Cornelis, Rijk, Adrianus, Maria, Hermen, Elisabeth, Jacob, Christoffel. In 1860 duiken namen op als: Wilhelmina, Dirk, Giel, Adrianus, Katharina, Machiel, Nieske, Hermanus, Albertus, Gerrit, Cornelis Arie, Jan Gerrit.  Je komt dan plaatsnamen tegen als Rijswijk, Maurik, Beusichem.
Stefan (18-7-1993) is de enige zoon geboren uit het huwelijk (19-2-1993 te Muiden, gescheiden 10-12-1997) van Marcus Anthonius Caspar (5-4-1967 te Woerden, roepnaam Marc) en Martina Catharina Elisabeth Maria Vogels (17-7-70 te Amsterdam, roepnaam Mirella). Stefan heeft twee halfzusjes Beau Theresia Anna ( 9-7-04 te Beverwijk) en Esmee Francis Johanna (1-3-06 te Heemskerk) uit het tweede huwelijk (04-07-2002 te Heemskerk) van Marc met Danielle Johanna van Aalst (10-08-77 te Heemskerk). Marc is de 2e zoon van Johannes Lambertus, roepnaam Jan (2-5-35 te Woerden) en Anna Maria Josephina van der Schoot (15-2-1936 te Tilburg, overleden 31 december 2017 te Amstelveen) gehuwd 17-7-1963 te Hilversum. Deze Jan was de enige zoon van Henricus Marinus Julianus, roepnaam Hennie (4-12-1908, Woerden, overleden te Woerden 20 mei 1966) en Antonia den Hartog (3-7-1908, Vianen overleden te Woerden op 9-10-1989). Ze huwden op 7 juni 1934 te Woerden. Deze Hennie was het 2e kind van Johannes (roepnaam Hannes), mijn opa dus, geboren 18-7-1881 te Woerden en overleden te Woerden op 7-1-1965. Hij trouwde op 26-11-1903 met Maria Johanna Hoogland geboren 30-9-1878 en overleden 6-10-1959 te Woerden. Deze Hannes, kleermaker van beroep, was het derde kind van de familie van Gerrit Blankestein (24-7-1853, Maurik) en Elisabeth van de Werff (28-1-1856, Vianen, RK), ze zijn gehuwd op 9-2-1877 in Maurik en overleden resp. 22-12-1920 en 15-12-1925 te Woerden. Deze familie verhuisde aan het eind van de 19e eeuw van Kuilenburg naar Woerden omdat daar in het Kasteel door het ministerie van Oorlog een wasserij, schoenmakerij en kleermakerij voor onderhoud militaire kleding werd gevestigd. Gerrit was de oudste zoon van Adrianus (18-12-1819, gehuwd op 18-5-1853 met Nieske van Kapellen, wiens moeder uit Kesteren kwam) en die was weer het derde kind van Gerrit (van) Blankestein (geboren 29-11-1789, Beusichem, gehuwd op 17-11-1815 in Maurik met Elisabeth van den Berg, hij overleed op 22 april 1870 in Maurik). Zijn ouders waren Harmen (12-1-1755 te Beusichem, overleden in 1809 en gehuwd op 2-2-1783 te Beusichem) en Petronella de Graaf geboortig van Zoelmond. De laatste ten slotte voor zover mij bekend: Gerrit Pelle van Blankestein (14-11-1721, Rijswijk, gehuwd 8-1-1749 te Beusichem) en Gijsbertje van Buren. Deze stammen van Pel Gerritszoon (1686 te Rijswijk), gehuwd op 12-5-1709 met Jannigje van Meteren (1690). Deze Pel was de oudste zoon van Gerrit Pellen (geboren 29-4-1660 te Ravenswaay) die in 1686 huwde in Wijk bij Duurstede met Cornelia Daemen van Zijll (ook geschreven als van Zijl, 1660). De vader van deze Gerrit is ene Pelgerum Thonis van Blanckensteijn die rond 1610 in Doorn is geboren en op 6-9-1646 is getrouwd met Wilhelmina (ook genoemd Willimpje) Cornelis, jonge dochter van Rijswijk. Gerrit is het vijfde kind van deze familie.
J.L. Blankestein
Amstelveen, 31 augustus 2013 (bijgewerkt op 1 juli 2019)



Terug